Bel 033 4602302 of mail naar info@beslagrecht.nl

Word abonnee

Roerende zaken (art. 481 Rv)

Als de schuldeisers het niet eens kunnen worden over de verdeling van de opbrengst van roerende zaken, kan 'de meest gerede partij' de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om een rechter-commissaris te benoemen tegenover wie de verdeling van de opbrengst zal plaatsvindten (vgl. art. 481 lid 1 Rv). Daarbij geldt het volgende:

Onroerende zaak

De meeste bepalingen over de verdeling van de opbrengst van roerende zaken gelden ook bij de verdeling van de opbrengst van een onroerende zaak (vgl. art. 552 lid 4 Rv). Meer in het bijzonder gaat het om de voor roerende zaken geldende artikelen 482 t/m 490a490c en 490d Rv. De verdeling van de opbrengst van een onroerende zaak kent daarnaast een aantal eigen bepalingen (artt. 551 t/m 554 Rv):

Belanghebbende (art. 551a Rv)

Ieder van de in art. 551 lid 3 Rv genoemde belanghebbenden (de beslagleggers en degenen met een beperkt recht op de onroerende zaak) kan om een gerechtelijke rangregeling verzoeken (art. 551a lid 1 Rv).

Verzoekschrift (art. 552 lid 1 Rv)

De gerechtelijke rangregeling volgens art. 551a Rv en art. 3:271 BW wordt gestart met een verzoekschrift van de belanghebbende aan de voorzieningenrechter van de rechtbank in het arrondissement waarin de onroerende zaken zich (grotendeels) bevinden. In het verzoekschrift verzoekt de belanghebbende een rechter-commissaris te benoemen tegenover wie de verdeling zal plaatsvinden (art. 552 lid 1 Rv).

  • Bij het verzoekschrift wordt gevoegd een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift als bedoeld in art. 99 lid 1 Kadw, waarin de inschrijvingen en de boekingen in het register van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die voor de aanwijzing van de in art. 551 Rv bedoelde belanghebbenden van belang zijn, alsmede een door de notaris af te geven staat van de schuldeisers die beslag hebben gelegd op de opbrengst van de executie of hun vordering ontlenen aan art. 3:264 lid 7 BW (art. 552 lid 2 Rv).

Meerdere onroerende zaken (art. 553 lid 1 Rv)

Als bij een executoriale verkoop meer onroerende zaken of daarop rustende rechten tezamen, dan wel een of meer onroerende zaken of daarop rustende rechten tezamen met daarbij behorende roerende zaken, zoals omschreven in art. 3:254 BW, voor één prijs zijn verkocht en er deelnemers aan de rangregeling zijn, van wie het recht of de voorrang niet alle verkochte zaken of rechten betreft, deelt ieder van hen alleen mee of alleen met voorrang mee in het gedeelte van de netto-opbrengst - dat wil zeggen de opbrengst met aftrek van de executiekosten - dat naar schatting kan worden toegerekend aan de zaken of rechten waarop zijn recht of voorrang betrekking had (art. 553 lid 1 Rv).

Voorstel tot verdeling (art. 553 lid 2 Rv)

In de in art. 483 Rv bedoelde staat van verdeling zal de rechter-commissaris aan de hand van de overgelegde stukken en zo nodig na verhoor van deskundigen een verdeling overeenkomstig art. 553 lid 1 Rv voorstellen (art. 553 lid 2 Rv).

Schip

Voor de verdeling van de verkoopopbrengst van een gewoon schip bepaalt art. 580 Rv, eerste zin dat de op een onroerende zaak betrekking hebbende artt. 551 (betaling koopprijs en verdeling), 551a (rangregeling) en 552 Rv (procedure voor rangregeling) van toepassing zijn.

Op de verdeling van de opbrengst van een klein schip zijn, volgens art. 580 Rv, tweede zin, bijna alle op roerende zaken betrekking hebbende artt. 480-490a, 490c en 490d Rv van toepassing.

  • Het is mogelijk dat bij een executoriale verkoop van een schip ook scheepstoebehoren voor één prijs zijn verkocht, die niet aan de eigenaar van het schip, maar aan een ander toebehoren. Die derde verliest dan het eigendom, maar aan hem wordt uit de netto-opbrengst met voorrang boven allen jegens wie hij zijn recht ten tijde van de verkoop kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de waarde die het scheepstoebehoren ten tijde van de executie naar schatting had (art. 581 lid 1 Rv). Als er bij de verdeling van de netto-opbrengst deelnemers aan de rangregeling zijn, van wie het recht of voorrang niet gelijkelijk schip en scheepstoebehoren betreft, is art. 553 Rv van overeenkomstige toepassing (art. 581 lid 2 Rv).
Luchtvaartuig (art. 584i lid 2 Rv)

Volgens art. 584i lid 2 Rv zijn de op roerende zaken betrekking hebbende artt. 483a-490a, 490c en 490d Rv op de verdeling van de opbrengst van een luchtvaartuig van toepassing, voorzover uit nart. 584i lid 2 Rv komende artikelen niet anders voortvloeit.

Rechtsmiddelenverbod (art. 481 lid 1 en 552 lid 3 Rv)

Zowel bij roerende zaken als bij een onroerende zaak geldt een rechtsmiddelenverbod: tegen een benoeming op grond van art. 481 lid 1 Rv is geen hogere voorziening toegelaten (481 lid 3 Rv). Tegen een benoeming op grond van art. 552 lid 1 Rv is evenmin een hogere voorziening mogelijk (art. 552 lid 3 Rv).