Bel 033 4602302 of mail naar info@beslagrecht.nl

Word abonnee

Exequatur (art. 431 lid 1 Rv en art. 985 Rv)

Volgens art. 431 lid 1 Rv kunnen beslissingen van vreemde rechters en authentieke akten die buiten Nederland verleden zijn, niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij degene die de executie wenst over over een exequatur beschikt (vgl. artt. 985-994 Rv).

Nieuwe behandeling bij Nederlandse rechter (art. 431 lid 2 Rv)

De gedingen kunnen wel opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan (art. 431 lid 2 Rv).

  • HR 14-11-1924, NJ 1925, 91 (Bontmantel-arrest)
    De Nederlandse rechter moet in elk bijzonder geval beoordelen of en in hoeverre aan een vreemd vonnis gezag moet worden toegekend. Het hof overwoog dat het in strijd met de goede trouw en billijkheid zou zijn, als aan eiseres werd toegestaan haar vordering, nadat en omdat de Engelss rechter, wiens tussenkomst zij vrijwillig had ingeroepen, haar vordering had ontzegd, deze opnieuw aan het oordeel van de Nederlandse rechter te onderwerpen.
Verdragen

Volgens de artt. 985-994 Rv kan een exequatur voor beslissingen van een rechter van een vreemde staat worden gevraagd. De artikelen zijn van toepassing op verdragen die geen eigen exequaturprocedure kennen. Voorbeelden van dergelijke verdragen zijn:

  • het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van 19 mei 1956;
  • het Haags (Kinder)alimentatie-executieverdrag van 15 april 1958.

Voor een groot aantal verdragen voorziet een uitvoeringswet in een eigen procedure ter verkrijging van een exequatur. De artt. 985-994 Rv zijn dan niet van toepassing. Voorbeelden van derge;ijke verdragen zijn:

  • het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954;
  • het EEX-verdrag van 27 september 1968 (dat door invoering van de EEX-Verordening betekenis heeft verloren);
  • de EEX-Verordening van 22 december 2002.
EEX-Verordening

De EEX-Verordening (EEX-Vo) bepaalt dat de beslisisng van een buitenlandse rechter wordt erkend (art. 33 EEX-Vo), tenzij er sprake is van een weigeringsgrond (art. 34 e.v. EEX-Vo). Een onderzoek naar de juistheid van de beslissing is verboden (art. 36 EEX-Vo). Uitvoerbare beslissingen kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd als zij aldaar uitvoerbaar zijn verklaard (art. 38 EEX-Vo).

De exclusief bevoegde rechter staat in een bijlage bij de verordening vermeld (art. 39 lid 1 EEX-Vo). De relatieve bevoegdheid hangt af van de woonplaats van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging worde gevraagf of de plaat van de tenuitvoerlegging (art. 39 lid 2 EEX-Vo).

Tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging is een rechtsmiddel mogelijk (art. 43 EEX-Vo).

 

Betekening (art. 430 lid 3 Rv)

Een executoriale titel moet aan de schuldenaar worden betekend voordat executoriaal beslag kan worden gelegd (art. 430 lid 3 Rv).

De betekening behoort niet tot de tenuitvoerlegging.

De betekening van de executoriale titel aan de derde, die in art. 704 lid 1 Rv is voorgeschreven, moet geschieden binnen één maand nadat voor de hoofdvordering die executoriale titel is verkregen en die ten uitvoer gelegd kan worden (art. 722 Rv).

Als niet binnen die termijn wordt betekend, dan zijn de eventuele betalingen door de derde van waarde.

  • Hof Den Haag 04-02-2004, NJF 2004, 231
    Wanneer een conservatoir derdenbeslag executoriaal wordt, moet de executoriale titel tijdig aan de derdebeslagene worden betekend (art. 722 Rv). De verplichting om de beslagen geldsom aan de deurwaarder af te dragen (art. 477 Rv) gaat in vier weken na deze betekening (art. 723 Rv). Een betaling door de derde aan de beslaglegger voordat de vierwekentermijn is verstreken, is van waarde.
  • HR 09-05-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4608 (WEL-Accountancy/Anova)
    Het niet in acht nemen van de in art. 722 Rv voorgeschreven termijn voor betekening van het vonnis heeft als gevolg dat na die termijn gedane betalingen van de derde beslagene ten opzichte van de beslaglegger als van waarde moeten worden aangemerkt, maar vóór het verstrijken van die termijn gedane betalingen niet.
Wachttermijn voor beslag (art. 439 Rv)

Art. 439 lid 1 Rv bepaalt dat, voordat een beslag op een roerende zaak die geen registergoed is kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. De voorzieningenrechter kan, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten (art. 439 lid 1 Rv, laatste zin).

Betekening en bevel (art. 439 lid 2 Rv)

Volgens art. 439 lid 2 Rv is, als bij het betekenen van de executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, geen afzonderlijk bevel vereist.

Woonplaats bij deurwaarder (art. 439 lid 3 Rv)

Art. 439 lid 3 Rv bepaalt dat de executant, bij het bevel of de betekening, tot het uiteinde der executie woonplaats moet kiezen bij een deurwaarder. Het exploot is anders nietig. Ook kan bij een advocaat woonplaats worden gekozen.

Art. 502 lid 1 Rv, eerste zin bepaalt dat, voordat een beslag op een onroerende zaak kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. 

Inhoud bevel (art. 502 lid 2, 3 en 4 Rv)

Volgens art. 502 lid 2 Rv moet de titel uit kracht waarvan de vervolging plaats heeft in het bevel staan en en moet het bevel vermelden dat, bij gebreke van betaling, executoriale maatregelen ten aanzien van de onroerende zaken van de geëxecuteerde zullen worden getroffen. Als dit niet wordt vermeld, is het exploot nietig.

  • Als bij het betekenen van de executoriale titel tevens bevel tot betaling is gedaan, is geen afzonderlijk bevel vereist (art. 502 lid 3 Rv).

Art. 502 lid 4 Rv bepaalt dat bij het bevel of de betekening de executant tot het uiteinde der executie woonplaats moet kiezen ten kantore van de deurwaarder. Gebeurt dit niet, dan is het exploot nietig. Ook kan woonplaats worden gekozen op het kantoor van een advocaat.

Nieuw bevel tot betaling bij een onroerende zaak (art. 503 Rv)

Als het exploot van bevel niet binnen één jaar is gevolgd door een beslag op een onroerende zaak, is er een nieuw bevel nodig voor een beslag (art. 503 Rv).

Art. 563 lid 1 Rv bepaalt dat, voordat een beslag op een schip kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen vierentwintig uur aan de executoriale titel te voldoen.

De voorzieningenrechter kan, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, bepalen dat het beslag zonder voorafgaand bevel kan worden gelegd als er vrees voor vertrek bestaat (art. 563 lid 2 Rv). In dit laatste geval kan er, in afwijking van art. 430 lid 3 Rv, tegelijkertijd betekend en beslag gelegd worden (art. 563 lid 3 Rv).

Art. 584b lid 1 Rv bepaalt dat, voordat een beslag op een in het register of in een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen vierentwintig uur aan de executoriale titel te voldoen.

De voorzieningenrechter kan, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, bepalen dat het beslag zonder voorafgaand bevel kan worden gelegd (art. 584b lid 2 Rv). In dit laatste geval kan er, in afwijking van art. 430 lid 3 Rv, tegelijkertijd betekend en beslag gelegd worden (art. 584b lid 3 Rv).

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Tweede Boek, Tweede Titel, Eerste Afdeling B ('Van executoriaal beslag op aandelen op naam in naanloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid') kent geen verplichting om, voorafgaand aan een beslag op aandelen op naam in NV of BV, bevel tot betaling te doen.

Art. 474a Rv, tweede volzin bepaalt dat onder andere de eerste afdeling van de betreffende titel ('Van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn') van overeenkomstige toepassing is voor het beslag op rechten aan toonder of order.

Binnen die eerste afdeling bepaalt art. 439 lid 1 Rv dat, voordat een beslag kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. 

Hieruit kan worden geconcludeerd dat, voordat een beslag op rechten aan toonder of order kan worden gelegd, de deurwaarder bevel moet doen om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen.

 

Voor het leggen van executoriaal derdenbeslag is het doen van een bevel tot betaling niet voorgeschreven. In de praktijk is het doen van bevel tot betaling echter gebruikelijk.

Een civielrechtelijk beslag komt tot stand door het opmaken en ondertekenen van een exploot of een proces-verbaal van beslag door een gerechtsdeurwaarder  (art. 45 lid 1 en 5 Rv).

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

Uitgangspunt is dat een conservatoir en executoriaal beslag binnen een bepaalde termijn aan de beslagene moeten worden betekend, zodat hij van het beslag op de hoogte is.

  • Bij executoriaal beslag bestaat geen algemene regel; dit is per beslag geregeld.
  • Bij conservatoir beslag moet het beslagexploot aan de beslagene worden betekend, met het beslagrekest en het verlof van de voorzieningenrechter (art. 702 lid 2 Rv).

 

Als er beslag wordt gelegd op goederen van een derde voor een schuld van een ander, dienen de schuldenaar en de derde van het beslag op de hoogte te worden gebracht.

Roerende zaken (art. 481 Rv)

Als de schuldeisers het niet eens kunnen worden over de verdeling van de opbrengst van roerende zaken, kan 'de meest gerede partij' de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om een rechter-commissaris te benoemen tegenover wie de verdeling van de opbrengst zal plaatsvinden (vgl. art. 481 lid 1 Rv). Daarbij geldt het volgende:

Onroerende zaak

De meeste bepalingen over de verdeling van de opbrengst van roerende zaken gelden ook bij de verdeling van de opbrengst van een onroerende zaak (vgl. art. 552 lid 4 Rv). Meer in het bijzonder gaat het om de voor roerende zaken geldende artikelen 482 t/m 490a490c en 490d Rv. De verdeling van de opbrengst van een onroerende zaak kent daarnaast een aantal eigen bepalingen (artt. 551 t/m 554 Rv):

Belanghebbende (art. 551a Rv)

Ieder van de in art. 551 lid 3 Rv genoemde belanghebbenden (de beslagleggers en degenen met een beperkt recht op de onroerende zaak) kan om een gerechtelijke rangregeling verzoeken (art. 551a lid 1 Rv).

Verzoekschrift (art. 552 lid 1 Rv)

De gerechtelijke rangregeling volgens art. 551a Rv en art. 3:271 BW wordt gestart met een verzoekschrift van de belanghebbende aan de voorzieningenrechter van de rechtbank in het arrondissement waarin de onroerende zaken zich (grotendeels) bevinden. In het verzoekschrift verzoekt de belanghebbende een rechter-commissaris te benoemen tegenover wie de verdeling zal plaatsvinden (art. 552 lid 1 Rv).

  • Bij het verzoekschrift wordt gevoegd een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift als bedoeld in art. 99 lid 1 Kadw, waarin de inschrijvingen en de boekingen in het register van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die voor de aanwijzing van de in art. 551 Rv bedoelde belanghebbenden van belang zijn, alsmede een door de notaris af te geven staat van de schuldeisers die beslag hebben gelegd op de opbrengst van de executie of hun vordering ontlenen aan art. 3:264 lid 7 BW (art. 552 lid 2 Rv).

Meerdere onroerende zaken (art. 553 lid 1 Rv)

Als bij een executoriale verkoop meer onroerende zaken of daarop rustende rechten tezamen, dan wel een of meer onroerende zaken of daarop rustende rechten tezamen met daarbij behorende roerende zaken, zoals omschreven in art. 3:254 BW, voor één prijs zijn verkocht en er deelnemers aan de rangregeling zijn, van wie het recht of de voorrang niet alle verkochte zaken of rechten betreft, deelt ieder van hen alleen mee of alleen met voorrang mee in het gedeelte van de netto-opbrengst - dat wil zeggen de opbrengst met aftrek van de executiekosten - dat naar schatting kan worden toegerekend aan de zaken of rechten waarop zijn recht of voorrang betrekking had (art. 553 lid 1 Rv).

Voorstel tot verdeling (art. 553 lid 2 Rv)

In de in art. 483 Rv bedoelde staat van verdeling zal de rechter-commissaris aan de hand van de overgelegde stukken en zo nodig na verhoor van deskundigen een verdeling overeenkomstig art. 553 lid 1 Rv voorstellen (art. 553 lid 2 Rv).

Schip

Voor de verdeling van de verkoopopbrengst van een gewoon schip bepaalt art. 580 Rv, eerste zin dat de op een onroerende zaak betrekking hebbende artt. 551 (betaling koopprijs en verdeling), 551a (rangregeling) en 552 Rv (procedure voor rangregeling) van toepassing zijn.

Op de verdeling van de opbrengst van een klein schip zijn, volgens art. 580 Rv, tweede zin, bijna alle op roerende zaken betrekking hebbende artt. 480-490a, 490c en 490d Rv van toepassing.

  • Het is mogelijk dat bij een executoriale verkoop van een schip ook scheepstoebehoren voor één prijs zijn verkocht, die niet aan de eigenaar van het schip, maar aan een ander toebehoren. Die derde verliest dan het eigendom, maar aan hem wordt uit de netto-opbrengst met voorrang boven allen jegens wie hij zijn recht ten tijde van de verkoop kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de waarde die het scheepstoebehoren ten tijde van de executie naar schatting had (art. 581 lid 1 Rv). Als er bij de verdeling van de netto-opbrengst deelnemers aan de rangregeling zijn, van wie het recht of voorrang niet gelijkelijk schip en scheepstoebehoren betreft, is art. 553 Rv van overeenkomstige toepassing (art. 581 lid 2 Rv).
Luchtvaartuig (art. 584i lid 2 Rv)

Volgens art. 584i lid 2 Rv zijn de op roerende zaken betrekking hebbende artt. 483a-490a, 490c en 490d Rv op de verdeling van de opbrengst van een luchtvaartuig van toepassing, voorzover uit nart. 584i lid 2 Rv komende artikelen niet anders voortvloeit.

Rechtsmiddelenverbod (art. 481 lid 1 en 552 lid 3 Rv)

Zowel bij roerende zaken als bij een onroerende zaak geldt een rechtsmiddelenverbod: tegen een benoeming op grond van art. 481 lid 1 Rv is geen hogere voorziening toegelaten (481 lid 3 Rv). Tegen een benoeming op grond van art. 552 lid 1 Rv is evenmin een hogere voorziening mogelijk (art. 552 lid 3 Rv).

Termijnstelling (art. 482 lid 1 Rv)

Wanneer er bij een rangregeling een rechter-commissaris is benoemd, deelt de griffier dit onmiddellijk per gewone brief aan de belanghebbenden mee. De griffier meldt in de brief de termijn waarbinnen de in art. 482 lid 2 Rv bedoelde aanmelding van vorderingen moet plaatsvinden (art. 482 lid 1 Rv).

Indiening vorderingen (art. 482 lid 2 Rv)

De belanghebbenden moeten binnen veertien dagen na de in art. 482 lid 1 Rv bedoelde mededeling hun vorderingen schriftelijk, zo veel mogelijk met overlegging van bewijsstukken, bij de rechter-commissaris aanmelden. Daarmee kunnen de vorderingen worden gerangschikt (art. 482 lid 2 Rv).

Staat van verdeling (art. 483 Rv)

Wanneer de termijn van veertien dagen op grond van art. 482 lid 2 Rv is verlopen, maakt de rechter-commissaris, naar aanleiding van de overgelegde stukken, een staat van verdeling op (art. 483 Rv). De vorderingen op de staat van verdeling worden als volgt behandeld:

Ontbindende voorwaarde (art. 483a Rv)

Vorderingen onder een ontbindende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen voor het hele bedrag, onverminderd de werking van de voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt (art. 483a Rv).

Opschortende voorwaarde (art. 483b Rv)

Vorderingen onder een opschortende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen, hetzij voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling, hetzij op verlangen van een der schuldeisers of de geëxecuteerde, voorwaardelijk voor het hele bedrag (art. 483b Rv).

Niet opeisbare vorderingen (art. 483c Rv)

Niet opeisbare vorderingen en vorderingen die recht geven op periodieke uitkeringen, worden in de rangschikking begrepen voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling (art. 483c lid 1 Rv).

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op de bedongen rentevoet (art. 483c lid 2 Rv).

Onbepaalde vorderingen (art. 483d Rv)

Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald of onzeker is of niet in Nederlands geld uitgedrukt, worden in de rangschikking begrepen voor hun geschatte waarde in Nederlands geld ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling (art. 483d Rv).

Pand of hypotheek (art. 483e Rv)

Als een pand- of hypotheekrecht strekt tot zekerheid van vorderingen die de pand- of hypotheekhouder uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, kunnen deze in de rangregeling worden begrepen, hetzij voor het gehele op het tijdstip van het opmaken van de staat reeds verschuldigde bedrag, hetzij, op verlangen van de pand- of hypotheekhouder, voorwaardelijk voor het hele bedrag waarvoor het pand- of hypotheekrecht tot zekerheid strekt (art. 483e Rv).

Betwiste vordering of voorrang (art. 483f Rv)

Vorderingen die betwist worden, kunnen door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden opgenomen tot een door hem te bepalen bedrag. Wanneer de voorrang betwist wordt, kan deze door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden erkend (art. 483f Rv).

Nederlegging staat van verdeling (art. 484 Rv)

De rechter-commissaris legt de staat van verdeling ter griffie. De griffier zendt vervolgens een brief aan de belanghebbenden waarin hij melding van het deponeren van de staat maakt en waarin hij dag en uur vermeldt, waarop zij zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het voorstellen hunner tegenspraak (art. 484 lid 1 Rv). Als de geëxecuteerde niet tevens de schuldenaar is, geschiedt de kennisgeving mede aan de schuldenaar (art. 484 lid 2 Rv).

Proces-verbaal van verdeling (art. 485 lid 1 Rv)

Als er geen tegenspraak tegen de staat van verdeling wordt gevoerd, sluit de rechter-commissaris het proces-verbaal van verdeling en gelast hij bij bevelschrift de houder van de netto-opbrengst om daaruit de nog niet betaalde kosten te betalen en het restant wordt volgens de staat van verdeling aan de schuldeisers en de geëxecuteerde uitbetaald (art. 485 lid 1 Rv, tweede zin). 

Het bedrag waarvoor een vordering of een daaraan verbonden voorrang voorwaardelijk is opgenomen of erkend, wordt gereserveerd tot de vordering of de voorrang vaststaat (art. 485 lid 1 Rv, tweede zin).

Executoriale titel (art. 485 lid 2 Rv)

De bevelschriften worden in executoriale vorm uitgegeven (art. 485 lid 2 Rv).

Tegenspraak tegen staat van verdeling (art. 485a Rv)

Als er wel tegenspraak tegen de staat van verdeling wordt gevoerd, wordt deze gericht aan de rechter-commissaris en wordt deze op het proces-verbaal aangetekend (art. 485a lid 1 Rv).

Heeft een schuldeiser de termijn van veertien dagen volgens art. 482 lid 2 Rv niet in acht genomen of niet op de in art. 484 Rv bedoelde dag tegenspraak gevoerd, dan is tegenspraak alleen mogelijk als hij een redelijk belang bij tegenspraak heeft en hij de door het verzuim veroorzaakte kosten en schade betaalt (art. 485a lid 2 Rv).

Renvooiprocedure (art. 486 Rv)

Bij tegenspraak die de rechter-commissaris niet kan oplossen verwijst hij de partijen voor een renvooiprocedure naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe een dagvaarding is vereist (art. 486 lid 1 Rv). De advocaten, die voor partijen optreden, verklaren dit bij het uitroepen ter terechtzitting (art. 486  lid 2 Rv).

Bij het niet verschijnen van de schuldeiser, van wie de vordering door de rechter-commissaris niet is geaccepteerd, wordt dat beschouwd als een intrekking van de vordering. Verschijnt de schuldeiser niet die had aangegeven tegenspraak te zullen voeren, wordt hij geacht zijn tegenspraak te hebben laten varen (art. 486 lid 3 Rv).

Belanghebbenden die geen tegenspraak hebben gevoerd, kunnen in het geding niet tussenkomen of zich voegen (art. 486 lid 4 Rv).

Sluiting verdeling na tegenspraak (art. 489 Rv)

Nadat op het geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist of het geschil op grond van art. 486 lid 3 Rv is geëindigd, legt de meest gerede partij de uitspraak of een uittreksel uit het audiëntieblad waaruit van het niet verschijnen blijkt, aan de rechter-commissaris over (art. 489 Rv, eerste zin). De rechter-commissaris sluit vervolgens het proces-verbaal van verdeling en beveelt de uitgifte van bevelschriften tot betaling overeenkomstig art. 485 Rv (art. 489 Rv, tweede zin).

Gevolgen sluiting verdeling (art. 490 Rv)

Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeling is tegenspraak niet meer mogelijk, hebben de belanghebbenden onderling geen recht meer op rente over het bedrag dat aan hen is toegedeeld, en kan er geen beslag meer op de opbrengst van de executie worden gelegd (art. 490 Rv).

Reserveringen (art. 490a Rv)

Het bedrag, dat was begroot voor een voorwaardelijk opgenomen vordering of een voorwaardelijk erkende voorrang, wordt, zodra blijkt dat de schuldeiser niets of minder te vorderen heeft dan wel geen of een lagere voorrang heeft, overeenkomstig de opgemaakte staat van verdeling onder de schuldeisers verdeeld (art. 490a Rv).

Rekening en verantwoording (art. 490c Rv)

Een executant die betaling heeft ontvangen, is op verzoek verplicht aan de geëxecuteerde en aan de schuldenaar (dit is vaak dezelfde persoon) binnen één maand na de betaling rekening en verantwoording af te leggen (art. 490c lid 1 Rv).

Een schuldeiser die in de rangregeling is begrepen, kan binnen één maand na de sluiting daarvan een gelijke rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft (art. 490c lid 2 Rv).

Geen hoger beroep (art. 490d Rv)

Tegen beschikkingen van de rechter-commissaris met betrekking tot de verdeling van de opbrengst is geen hoger beroep mogelijk (art. 490d Rv).

Een verdeling van de opbrengst van de geëxecuteerde zaken is niet nodig als er maar één beslaglegger is en als er geen beperkt gerechtigde bekend is van wie het recht door de executie is vervallen. De afwikkeling van de verkoop gebeurt dan bij roerende zaken volgens art. 480 Rv en voor een onroerende zaak volgens art. 551 Rv.

De deurwaarder of, bij een onroerende zaak, de notaris keert de netto-opbrengst  - dat wil zeggen: de opbrengst onder aftrek van de executiekosten - aan de beslaglegger uit, vanzelfsprekend tot aan het bedrag van zijn vordering op de geëxecuteerde (art. 480 lid 1 Rv, eerste zin, resp. art. 551 lid 1 Rv).

De deurwaarder of notaris draagt een eventueel overschot af aan de geëxecuteerde (art. 480 lid 1 Rv, tweede volzin, resp. art. 551 lid 1 Rv).

Bewaring

Roerende zaken

Als er meer dan één beslagleggers of beperkt gerechtigden zijn, dan stort de deurwaarder de netto-opbrengst van de verkoop bij een bewaarder als bedoeld in art. 445 Rv.

Onroerende zaak (art. 551 lid 2 Rv)

Bij een onroerende zaak stort de notaris, als er meer beslagleggers of beperkt gerechtigden zijn als in art. 551 lid 1 Rv bedoeld, dan wel de in art. 551 lid 1 Rv bedoelde verklaring wordt betwist of de notaris ernstige reden heeft te vermoeden dat de verklaring onjuist is, de netto-opbrengst 'onverwijld' bij een door hem aangewezen bewaarder die aan de in art. 445 Rv bedoelde eisen voldoet (art. 551 lid 2 Rv).

Uitkering aan belanghebbenden

Roerende zaken ((art.  480 lid 2 Rv)

Als alle belanghebbenden (executant, geëxecuteerde, andere schuldeisers en beperkt gerechtigden) het er over eens zijn hoe de netto-opbrengst moet worden verdeeld, keert de deurwaarder of de bewaarder aan alle belanghebbenden het hen toekomende uit (art. 480 lid 2 Rv).

Onroerende zaak (art. 551 lid 3 Rv)

Bij een onroerende zaak geldt hetzelfde: wanneer de schuldeisers die op de zaak of op de koopprijs beslag hebben gelegd, de beperkt gerechtigden van wie het recht door de executie vervalt, en de geëxecuteerde het vóór de betaaldag van de koopsom omtrent de verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende uit (art. 551 lid 3 Rv).

Aansprakelijkheid

Roerende zaken (art. 480 lid 3 Rv)

Wanneer de deurwaarder art. 480 Rv niet naleeft, zijn de staat en hij ten opzichte van belanghebbenden hoofdelijk aansprakelijk voor schade (art. 480 lid 3 Rv).

Onroerende zaak (art. 551 lid 4 en 6 Rv)

Bij een onroerende zaak geldt dat, als de notaris zijn verplichtingen die op grond van art. 551 Rv niet nakomt, is de staat, naast de notaris, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade (art. 551 lid 4 Rv).

In geval van executie door een hypotheekhouder is niet art. 551 Rv, maar art. 3:270 BW van toepassing (art. 551 lid 5 Rv). Van het in art. 551 Rv bepaalde kan in koopvoorwaarden niet worden afgeweken (art. 551 lid 6 Rv).

Verdeling opbrengst anders dan bij beslagexecutie

De verdeling van de opbrengst na een hypothecaire verkoop verloopt anders dan bij beslagexecutie.

Betaling koopprijs (art. 3:270 lid 1 BW)

De koper moet  de koopprijs betalen aan de notaris, bij wie de openbare verkoop heeft plaatsgevonden of door wie de akte van overdracht ingevolge de onderhandse verkoop is verleden. De executiekosten worden uit de koopprijs voldaan (art. 3:270 lid 1 BW).

Betaling aan de hypotheekhouder (art. 3:270 lid 2 BW)

Volgens art. 3:270 lid 2 BW draagt de notaris uit de netto-opbrengst af hetgeen de hypotheekhouder volgens een door hem aan de notaris te geven verklaring hetgeen hem toekomt, aan hem af, als:

  • geen hypotheken van een ander dan de verkoper zijn ingeschreven;
  • geen schuldeiser op het goed of op de koopprijs beslag heeft gelegd of zijn vordering ontleent aan art. 264 lid 7 BW;
  • er door de executie geen beperkt recht op het goed vervalt of een recht van een huurder of pachter verloren gaat.

Het overschot keert de notaris aan de hypotheekgever uit (art. 3:270 lid 2 BW).

Betaling aan bewaarder (art. 3:270 lid 3 BW)

Betaling aan bewaarder

Zijn er meer hypotheekhouders of zijn er beslagleggers of beperkt gerechtigden, dan stort de notaris de netto-opbrengst - dat wil zeggen: de opbrengst onder aftrek van de executiekosten - onverwijld bij een door hem aangewezen bewaarder volgens art. 445 Rv (art. 3:270 lid 3 BW, eerste zin).

Betaling aan eerste hypotheekhouder

Wanneer het goed door de eerste hypotheekhouder is verkocht en deze vóór of op de betaaldag aan de notaris een verklaring heeft overgelegd van hetgeen hem van de opbrengst toekomt, met vermelding van schuldeisers van wie de vordering boven de zijne rang neemt, blijft de storting achterwege voor hetgeen aan de verkoper volgens deze verklaring toekomt, en keert de notaris dit aan deze uit (art. 3:270 lid 3 BW, tweede zin).

Goedkeuring verklaring

De verklaring moet zijn voorzien van een aantekening van de voorzieningenrechter van de rechtbank in het arrondissement waarin de onroerende zaak is gelegen, inhoudende dat hij de verklaring heeft goedgekeurd, nadat hem summierlijk van de juistheid ervan is gebleken. Tegen de goedkeuring is geen hogere voorziening toegelaten (art. 3:270 lid 3 BW, derde zin).

Vermoeden onjuiste verklaring (art. 3:270 lid 4 BW)

Ingeval de notaris ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de hem ingevolge art. 3:270 lid 2 BW of art. 3:270 lid 3 BW verstrekte verklaring onjuist is, kan hij de uitkering aan de hypotheekhouder opschorten tot de in art. 3:270 lid 3 BW aangewezen voorzieningenrechter op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van de notaris omtrent de uitkering heeft beslist (art. 3:270 lid 4 BW).

Overeenstemming over verdeling (art. 3:270 lid 5 BW)

Wanneer de hypotheekhouders, de schuldeisers die op het goed of op de koopprijs beslag hebben gelegd of hun vorderingen ontlenen aan artikel 264 lid 7, de beperkt gerechtigden van wie het recht door de executie vervalt, alsmede degene wiens goed is verkocht het vóór de betaaldag omtrent de verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende uit ((art. 3:270 lid 5 BW).

Aansprakelijkheid notaris en staat (art. 3:270 lid 6 BW)

Voor zover de verplichtingen welke ingevolge dit artikel op de notaris rusten, niet worden nagekomen, is de staat jegens belanghebbenden voor de daaruit voor hen voortvloeiende schade met de notaris hoofdelijk aansprakelijk (art. 3:270 lid 6 BW).

Dwingend recht (art. 3:270 lid 7 BW)

Art. 3:270 lid 7 BW bepaalt dat van het bepaalde in art. 3:270 BW niet kan worden afgeweken.

Na de betaling van de koopprijs zijn alle in art. 3:270 lid 5 BW  genoemde belanghebbenden bevoegd een gerechtelijke rangregeling te verzoeken om tot verdeling van de opbrengst te komen overeenkomstig de formaliteiten die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voorgeschreven (art. 3:271 lid 1 BW).

Indien deze belanghebbenden met betrekking tot de verdeling alsnog tot overeenstemming komen en daarvan door een authentieke akte doen blijken aan de bewaarder bij wie de opbrengst is gestort, dan keert deze aan ieder het hem volgens deze akte toekomende uit (art. 3:271 lid 2 BW).

Een verkoper die van de notaris betaling heeft ontvangen, is verplicht desverlangd aan hem wiens goed is verkocht, en aan de schuldenaar binnen één maand na de betaling rekening en verantwoording te doen (art. 3:272 lid 1 BW).

Een hypotheekhouder, een schuldeiser of een beperkt gerechtigde, die in de rangregeling is begrepen, kan binnen één maand na de sluiting daarvan gelijke rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft (art. 3:272 lid 2 BW).

Door de levering ingevolge een executoriale verkoop en de voldoening van de koopprijs gaan alle op het verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de ingeschreven beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden (art. 3:273 lid 1 BW).

Wanneer de koper aan de president van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of grotendeels bevindt, de bewijsstukken overlegt, dat de verkoop met inachtneming van de wettelijke voorschriften heeft plaatsgehad en dat de koopprijs in handen van de notaris is gestort, wordt hem van het tenietgaan en vervallen van de in het vorige lid bedoelde hypotheken, beperkte rechten en beslagen een verklaring verstrekt. Tegen de beschikking die een zodanige verklaring inhoudt, is geen hogere voorziening toegelaten (art. 3:273 lid 2 BW).

De verklaring kan bij of na de levering in de registers worden ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder der registers tot doorhaling van de inschrijvingen betreffende hypotheken en beslagen (art. 3:273 lid 3 BW).

Wanneer een hypotheek is tenietgegaan, is de schuldeiser verplicht aan de rechthebbende op het bezwaarde goed op diens verzoek en op diens kosten bij authentieke akte een verklaring af te geven, dat de hypotheek is vervallen. Is de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde (art. 3:274 lid 1 BW).

Deze verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Zij machtigen dan tezamen de bewaarder tot doorhaling (art. 3:274 lid 2 BW).

Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan is artikel 29 van overeenkomstige toepassing (art. 3:274 lid 3 BW).

Is de hypotheek door vermenging tenietgegaan, dan wordt de bewaarder tot doorhaling gemachtigd door een daartoe strekkende verklaring, afgelegd bij authentieke akte door hem aan wie het goed toebehoort, tenzij op de vordering een beperkt recht rust (art. 3:274 lid 4 BW).

Een volmacht tot het afleggen van een verklaring moet schriftelijk zijn verleend (art. 3:275 BW).

Opbrengst naar pandhouder

De opbrengst van een verkochte verpande zaak komt als eerste de pandhouder toe. De pandhouder houdt, na voldoening van de kosten van executie, het aan hem verschuldigde bedrag waarvoor hij pandrecht heeft van de netto-opbrengst - dat wil zeggen: de opbrengst onder aftrek van de executiekosten - af.

Overschot naar pandgever

Het overschot wordt aan de pandgever uitgekeerd. Zijn er pandhouders of andere beperkt gerechtigden, van wie het recht op het goed door de executie is vervallen, of hebben schuldeisers op het goed of op de opbrengst beslag gelegd, dan handelt de pandhouder overeenkomstig het bepaalde in art. 490b Rv (art. 3:253 lid 1 BW).

Uitkering aan derden

Art. 490b lid 1 Rv bepaalt dat, als een pandhouder heeft geëxecuteerd en er beperkt gerechtigden of beslagleggers zijn als bedoeld in art. 3:253 lid 1 BW, derde volzin, het overschot dat van de netto-opbrengst na afhouding van het aan de pandhouder krachtens zijn rang toekomende is overgebleven, aan hen wordt uitgekeerd volgens overeenkomst tussen hen en de pandgever.

Verrekening

De pandhouder kan de door hem aan de voormelde belanghebbenden uit te keren bedragen niet voldoen door verrekening, tenzij het een uitkering aan de pandgever betreft en deze niet failliet is of in de schuldsanering zit. In dit laatste geval kan niettemin een uitkering aan de pandgever door verrekening worden voldaan indien het pandrecht is gevestigd na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling en zowel de vordering als de schuld na die uitspraak zijn ontstaan (art. 3:353 lid 2 BW).

Bewaring

Is op het tijdstip dat de pandhouder tot uitkering kan overgaan, nog geen overeenstemming omtrent de verdeling bereikt, dan stort de pandhouder de opbrengst tot tenminste het bedrag van het overschot onverwijld bij een bewaarder met overeenkomstige toepassing van art. 445 Rv en kan de meest gerede partij, onder wie de pandhouder zelf, een rangregeling verzoeken overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling.

Als de pandhouder zelf aan de eisen van art. 445 Rv voldoet, kan hij zichzelf als bewaarder aanwijzen (art. 490b lid 2 Rv).

De rangregeling betreft het overeenkomstig art. 490b lid 2 Rv in bewaring gegeven bedrag, mits de pandhouder binnen de in art. 482 Rv bedoelde termijn aan de rechter-commissaris de stukken ter hand stelt, waaruit van de verantwoording van het gestorte bedrag blijkt en binnen de in art. 484 Rv bedoelde termijn geen tegenspraak ter zake van het door de pandhouder afgehouden bedrag wordt gedaan (art. 490b lid 3 Rv).

Restitutie

Blijkt na tegenspraak de pandhouder volgens de definitief geworden staat te veel van de netto-opbrengst te hebben afgehouden, dan gelast de rechter-commissaris desverlangd bij een in executoriale vorm afgegeven bevelschrift, dat door ieder bij genoemde staat batig gerangschikte kan worden geëxecuteerd, de pandhouder het tekort tegen kwijting aan de in art. 490b lid 2 Rv bedoelde bewaarder uit te keren (art. 490b lid 4 Rv).

Heeft de pandhouder overeenkomstig art. 482 Rv rangschikking van zijn vordering gevorderd of blijkt hij te veel te hebben afgehouden, dan draagt hij in de kosten van de rangregeling bij. In andere gevallen worden de kosten van de in de rangregeling betrokken pandhouder hem vergoed door degenen die zijn verantwoording betwist hebben. Desverlangd geeft de rechter-commissaris een desbetreffend bevelschrift in executoriale vorm uit (art. 490b lid 5 Rv).

Uitkering

Als belanghebbenden voor het tot stand komen van een rangregeling alsnog over de verdeling overeenstemming bereiken en daarvan uit een onderhandse of authentieke akte doen blijken, keert de bewaarder ieder het hem volgens deze akte toekomende uit (art. 490b lid 6 Rv).

Einde executie vonnis (art. 144 Rv)

Volgens art. 144 Rv wordt een vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd: 

  1. in geval van gerechtelijke verkoop van goederen, na de verkoop;
  2. in geval van derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling;
  3. in geval van tenuitvoerlegging van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die geen registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft plaatsgevonden;
  4. in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden.

Of een executie al dan niet is geëindigd is onder andere van belang voor de vraag of er nog een executiegeschil kan worden gestart.

Einde van een executoriaal beslag

Het einde van de executie van een vonnis moet worden onderscheiden van het einde van een executoriaal beslag.

Een executoriaal beslag kent een aantal vervaltermijnen. Het beslag vervalt in de volgende gevallen:

Het verval van een executoriaal beslag hoeft niet het einde van de executie te zijn.

Verzoekschrift

In zaken waarin de executie wordt ingeleid door een verzoekschrift aan de voorzieningenrechter is volgens art. 438a lid 1 Rv de voorzieningenrechter bevoegd in wiens rechtsgebied de te executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie zal geschieden.

Deurwaarder

In beginsel dient een advocaat een verzoekschrift in (art. 278 lid 3 Rv). Art. 438a lid 2 Rv bepaalt echter dat in bepaalde gevallen ook een deurwaarder een verzoekschrift kan indienen: 

Verzoekschrift bij conservatoir beslag (art. 710a Rv)

Ook bij conservatoir beslag bestaat de mogelijkheid dat een deurwaarder een verzoekschrift indient (art. 710a Rv).

Deurwaarderskortgeding (art. 438 lid 4 Rv)

De mogelijkheid van een deurwaarder om een verzoekschrift in te dienen moet worden onderscheiden van het deurwaarderskortgeding (art. 438 lid 4 Rv).

Wanneer bij de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak zekerheid moet worden gesteld, kan die zekerheid bij een bank of een verzekeraar in een andere lidstaat van de Europese Unie worden gesteld (art. 438c Rv). Nederland moet die zekerheid dan erkennen. De buitenlandse bank of verzekeraar moet dan wel volgens Europese regels erkend zijn. Art. 438c Rv is gebaseerd op art. 27 lid 3 van de Dienstenrichtlijn (2006/123/EG)..

Als de executie andere handelingen vergt dan het uibrengen van een exploot, is art. 64 Rv (verboden tijden voor het uitbrengen van een exploot) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van art. 64 lid 3 Rv de plaats waar de handeling moet worden verricht, bepalend is voor de bevoegde voorzieningenrechter of kantonrechter (art. 438b Rv).

De tenuitvoerlegging tegen een derde kan pas na acht dagen na betekening aan de in het ongelijk gestelde partij plaatsvinden. Dan moet wel bij de betekening een verklaring van de griffier worden overgelegd dat er geen verzet, hoger beroep of cassatie tegen het vonnis is ingesteld (art. 432 Rv).

De gerechtsdeurwaarder speelt in de executieprocedure een centrale rol. De overhandiging van de executoriale titel machtigt hem om de gehele executie te doen, met uitzondering van lijfsdwang, waarvoor een bijzondere volmacht vereist is (art. 434 Rv).

  • Kosten terzake van ambtshandelingen, verricht door gerechtsdeurwaarders, worden voor de bepaling van de kosten van tenuitvoerlegging in aanmerking genomen overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde tarieven (art. 434a Rv).

Als de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, kan de executie pas worden gestart of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde (art. 431a Rv).

De partij die een rechtsmiddel instelt, kan daarvan bij de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken in het rechtsmiddelenregister aantekening laten maken (art. 433 Rv). Dit kan van belang zijn bij de executie tegen of onder een derde (art. 432 Rv).

Verplichte inschrijving

In een aantal gevallen wordt inschrijving van een ingesteld rechtsmiddel verplicht gesteld. Zo bepaalt art. 3:301 lid 2 BW dat het rechtsmiddel tegen een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Als dit niet gebeurt, dan is de partij die het rechtsmiddel heeft ingesteld, niet-ontvankelijk. Uit rechtspraak volgt dat art. 301 lid 2 BW strikt moet worden uitgelegd.

Hoge Raad
  • HR 11-09-2015, ECLI:NL:HR:2015:2531 (Boerenhofstede Strand-vliet/X)
    De stichting heeft in hoger beroep haar leveringsverplichting van de woning jegens X niet langer betwist. Zij heeft echter haar standpunt gehandhaafd dat de koopprijs te laag was als gevolg van misbruik van omstandigheden. Zij heeft echter niet langer een beroep gedaan op de afgelegde, tot vernietiging van de koopovereenkomst strekkende, verklaring, maar ex art. 3:54 lid 2 BW verlangd dat het hof de gevolgen van de koopovereenkomst zou wijzigen ter opheffing van haar nadeel wat betreft de hoogte van de koopprijs. Bij dit nieuwe verweer was dus niet langer de betrouwbaarheid van de openbare registers betrokken, maar nog slechts de financiële belangen van de partijen. Art. 3:301 lid 2 BW strekt niet tot bescherming van die belangen.
  • HR 04-05-2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615 (Fonds WOS/X)
    Art. 3:301 lid 2 BW bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in art. 25 Kadw bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister. Zulks is niet alleen van belang in de in art. 25 lid 1 onder a en b genoemde gevallen, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
  • HR 19-11-2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743 (X/Witadi)
    Nu in art. 3:301 BW de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld op een verzuim van inschrijving, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, waarvan de Hoge Raad in HR 24-12-1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005 (zie hierna) al heeft overwogen dat zij een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de - recentelijk totstandgekomen - wettekst niet wordt bestreken.
  • HR 24-12-1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005 (Inschrijving hoger beroep)
    Het is aan de eiser tot cassatie om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven, aan te tonen dat aan het in art. 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan.Nu de vrouw een dergelijke verklaring niet heeft overgelegd, moet ervan worden uitgegaan dat niet aan het voorschrift is voldaan.
Lagere rechtspraak
  • Rb. Overijssel (vzr.) 25-07-2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:1614
    De vraag is of de door eiser nu ingestelde vordering om gedaagde te bevelen om bij de notaris persoonlijk mee te werken aan doorhaling van de hypotheek, een adequate oplossing is voor het door eiser opgeworpen bezwaar, dat volgens de notaris het eerder gewezen vonnis niet in de openbare registers kan worden overgeschreven. Het belang van eiser bij notarieel transport is zeer dringend, omdat de schade bij niet-levering op die datum zeer aanzienlijk kan zijn en dan niet alleen zal bestaan uit een verbeurde boete, maar ook uit een verplichting tot schadevergoeding voor door de koper al aan de desbetreffende woning uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Dit belang moet de doorslag geven, nu niet is gebleken van één of meer concrete tegengestelde belangen aan de zijde van gedaagde. Omdat gedaagde nog steeds weigert om vrijwillig mee te werken, wordt een dwangsom bepaald.
  • Hof Leeuwarden 06-12-2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6963
    De rechtbank heeft appellant veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning. Daarbij heet de rechtbank bepaald dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van zodanige akte. Ingevolge art. 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register.
  • Hof Leeuwarden 03-05-2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5255
    Ook wanneer een beslissing betreffende een registergoed niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is het met het oog op de rechtszekerheid van belang dat duidelijk is of al dan niet een rechtsmiddel tegen de beslissing is aangewend, en daarmee of de beslissing (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, resp. (wel) in kracht van gewijsde is gegaan (zie Hof Leeuwarden 04-11-2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG4331). Dat volgens art. 350 lid 1 Rv het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, doet daaraan niets af.
  • Hof Arnhem 23-11-2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BP0106
    Art. 3: 301 lid 2 BW strekt ertoe dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van art. 3:89 lid 1 BW zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang met betrekking tot de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid.
  • Hof Leeuwarden 04-11-2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG4331
    Ook wanneer een beslissing betreffende een registergoed niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is het met het oog op de rechtszekerheid van belang dat duidelijk is of al dan niet een rechtsmiddel tegen de beslissing is aangewend, en daarmee of de beslissing al dan niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Rechtbank en voorzieningenrechter bevoegd (art. 438 lid 1, 2 en 3 Rv)

De bevoegde rechter voor een executiegeschil is de rechtbank (art. 438 lid 1 Rv). Een executiegeschil kan ook in kort geding aan de voorzieningenrechter worden voorgelegd, en wel die van de volgens art. 438 lid 1 Rv bevoegde rechtbank (art. 438 lid 2 Rv, eerste volzin). 

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

De gronden voor een executiegeschil (bijvoorbeeld met het oog op staking of schorsing van de executie of opheffing van een executoriaal beslag)  volgen vooral uit rechtspraak.

Ritzen en Vandenberg/Hoekstra

Het arrest HR 22-04-1983, NJ 1984, 145 (Ritzen en Vandeberg/Hoekstra) is maatgevend.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

De executie van een vonnis kan worden geschorst of gestaakt als er sprake is van een kennelijke misslag in dat vonnis.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

De executie van een vonnis kan worden geschorst of gestaakt als er sprake is van nieuwe feiten die een noodtoestand veroorzaken. Voortzetting van de executie kan misbruik van recht ex art. 3:13 BW zijn.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

De executie van een vonnis kan worden geschorst of gestaakt als er sprake is van een onevenredige verhouding tussen de opbrengst en kosten van een executoriale verkoop en dus van misbruik van recht of bevoegdheid. Dit doet zich nog wel eens voor bij een beslag en executoriale verkoop van een inboedel met geringe waarde.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

Ook andere aspecten kunnen leiden tot staking of schorsing van de executie of voor opheffing van een executoriaal beslag.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

Conservatoir eigenbeslag

Een middel dat de geëxecuteerde nog wel eens toepast, is het leggen van een conservatoir eigenbeslag ex art. 724 Rv voor een gestelde (tegen)vordering op de executant op de vordering van de executant die is vastgelegd in een executoriale titel.

Misbruik van recht

In beginsel zal een eigenbeslag dat ertoe dient om de executie van een veroordeling tot betaling van een geldsom te frustreren moeten worden afgewezen vanwege misbruik van recht. Van dit beginsel kan echter worden afgeweken.

Rechtspraak

Hoge Raad

  • HR 27-11-2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8836 (Ontvanger/X)
    De mogelijkheid van eigenbeslag is in de wet voorzien voor gevallen waarin de beslaglegger geen mogelijkheid heeft tot verrekening van het door hem verschuldigde met zijn vordering op de schuldeiser. In dit geval staat art. 24 IW in de weg aan verrekening van de vordering van de ontvanger op X met diens vordering tot teruggave van het gevorderde bedrag, maar deze bepaling sluit naar haar aard en strekking beslaglegging daarop niet uit. Bovendien had de ontvanger ook nog een zelfstandig ander belang bij het leggen van dit beslag omdat inmiddels onder hem derdenbeslag was gelegd ten laste van X.

Lagere rechtspraak

  • Rb. Overijssel (vzr.) 14-05-2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2685
    Door het gelegde conservatoire derdenbeslag, dat in wezen neerkomt op een verkapt eigenbeslag, frustreert gedaagde de tenuitvoerlegging van het vonnis. Deze handelwijze heeft als gevolg dat de executoriale kracht van de uitspraak voor wat betreft de veroordeling van X jegens eiser vooralsnog wordt weggenomen. Het voldoen aan die uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling wordt immers op deze wijze geblokkeerd. Dat kan misbruik van recht opleveren, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie.
  • Rb. Utrecht (vzr.) 02-09-2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7562
    Verzoeker wenst met het beslagverzoek beslag te leggen op de gelden die door hem zullen worden betaald aan de deurwaarder die door verweerster is ingeschakeld voor de executie van een vonnis. Als de voorzieningenrechter het door verzoeker gevraagde verlof zou verlenen, zou de tenuitvoerlegging van de veroordeling worden gefrustreerd. Daarvoor is het beslagrecht niet bedoeld. Met het leggen van het onderhavige beslag, dat als een verkapt eigenbeslag moet worden aangemerkt, wordt dan ook in beginsel misbruik gemaakt van procesrecht.
  • Rb. Arnhem (vzr.) 08-07-2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4432
    Er bestaat aanleiding om bij de beoordeling van de vraag of het gelegde beslag dient te worden opgeheven aansluiting te zoeken bij de criteria die worden gehanteerd bij het beoordelen van de vraag of de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard veroordelend vonnis dient te worden geschorst. Het komt neer op de vraag of het vonnis van de rechtbank Arnhem klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel of op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de tenuitvoerlegging daarvan een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
  • Hof Den Bosch 11-03-2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5998
    Een eigenbeslag dat ertoe dient om de executie van een veroordeling tot betaling van een geldsom te frustreren dient in beginsel te worden afgewezen. In dit geval moet er van dit beginsel te worden afgeweken. Er is niet alleen sprake van een gepretendeerde tegenvordering van de maatschap maar er bestaat ook een reconventionele uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.
  • Rb. Amsterdam (vzr.) 26-07-2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BG2379
    X wordt in een bodemprocedure in conventie veroordeeld tot betaling van een bedrag aan Y en in reconventie wordt Y veroordeeld tot afgifte van alle zaken van bedrijf X op het terrein van Y. X betaalt het door haar te betalen bedrag op een rekening van een stichting derdengelden van de advocaat van Y. Vanwege het verrmeende niet nakomen van de afgifteplicht door Y legt X vervolgens conservatoir derdenbeslag op de gelden op die rekening. Y vordert opheffing vanwege misbruik van het beslagrecht. De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorziening.
  • Rb. Breda (vzr.) 08-09-2004, ECLI:NL:RBBRE:2004:AQ9897
    Een conservatoir eigenbeslag ter afwending van het executeren van een vonnis is niet in alle gevallen uitgesloten, maar is slechts aanvaardbaar indien de gepretendeerde tegenvordering op basis van de overgelegde bescheiden voorshands voldoende is gestaafd. Op grond van het hiernavolgende is de voorzieningenrechter van oordeel dat hieraan in dit geval niet is voldaan.
  • Rb. Amsterdam (vzr.) 31-08-2004, NJF 2004, 529
    In het algemeen wordt geen verlof verleend voor het leggen van ‘eigenbeslag’ indien daarmee wordt beoogd de executie van een vonnis te frustreren. Een derdenbeslag onder de deurwaarder met hetzelfde effect moet worden beschouwd als een verkapt ‘eigenbeslag’. Er is sprake van misbruik van recht. De vordering tot opheffing van het beslag wordt toegewezen.

De beslagene kan te allen tijde verzet instellen tegen een alimentatiebeslag (art. 479d Rv). De procedure verloopt overeenkomstig art. 438 Rv (executiegeschil in het algemeen).

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

De derde kan bij beslag op zijn goederen voor een schuld van een ander derdenverzet tegen het beslag en de executie instellen.

Er geldt een termijn van acht dagen na de betekening ex art. 435 lid 2 Rv.

De inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees van beslagrecht.nl  Klik hier om u te abonneren en toegang te krijgen tot dit en alle andere afgeschermde artikelen op beslagrecht.nl.

Derdenverzet

Een derde kan door middel van het uitbrengen van een dagvaarding derdenverzet instellen instellen. Deze vorm van derdenverzet heeft geen schorsende werking

Dagvaarding van beslaglegger en beslagene (art. 438 lid 5 Rv)

De derde moet bij deze vorm van derdenverzet zowel de beslaglegger als de beslagene dagvaarden. Doet hij dit niet, dan is hij niet-ontvankelijk in zijn vordering (vgl. art. 438 lid 5 Rv).

  • Rb. Den Haag (vzr.) 31-07-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9535
    Uit de redactie van art. 438 lid 5 Rv volgt dat het een voorschrift van dwingend recht betreft en op straffe van nietigheid dient te worden nageleefd, zodat een ambtshalve toepassing door de voorzieningenrechter geboden is. Daarbij is van belang dat het artikellid kennelijk beoogt de belangen van de executieschuldenaar te beschermen. Omdat de verkoop van de motor door de staat, hetgeen eiser met zijn vordering tracht te verhinderen, tot een vermindering van het openstaande bedrag van de tegen X opgelegde ontnemingsmaatregel zal leiden, kan niet zonder meer tot uitgangspunt worden genomen dat Y met zijn vordering tevens het belang van X dient. De positiebepaling van X is dan ook niet op voorhand duidelijk. De voorzieningenrechter verklaart Y niet-ontvankelijk.
  • Hof Arnhem 18-12-2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY6953
    Mr. Cerutti, curator in het faillissement van Multi Hypotheken BV, legt conservatoir beslag op het woonhuis van voormalig bestuurder en grootaandeelhouder X. Na veroordeling van X tot betaling van een bedrag aan de boedel wordt het beslag executoriaal en zegt de curator hypotheekhouder ING de executoriale verkoop van het woonhuis aan. ING maakt geen gebruik van het recht ex art. 509 lid 1 Rv tot overname van de executieverkoop, maar tekent, vanwege de te verwachten geringe opbrengst, wel verzet tegen de verkoop aan. Het hof vindt dat ING als derde moet worden beschouwd in de zin van art. 438 lid 5 Rv. Volgens deze bepaling moet een derde (ING) zowel de executant (de curator) als de geëxecuteerde (X) dagvaarden. Nu ING dit niet heeft gedaan, is zij niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
  • Rb. Almelo (vzr.) 07-12-2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY6440
    Eiseres is op huwelijkse voorwaarden met X gehuwd. De gemeente Almelo legt voor een fraudeschuld van X executoriaal beslag op inboedelgoederen van eiseres en/of X en op een auto. Eiseres vordert opheffing van het beslag en verbod van de executieverkoop. De voorzieningenrechter verklaart eiseres niet-ontvankelijk, nu zij heeft nagelaten, naast de gemeente, X te dagvaarden. Eiseres moet worden aangemerkt als derde in de zin van art. 438 lid 5 Rv. Dit artikel schrijft dwingend voor dat in een executiegeschil zowel de executant als de geëxecuteerde moet worden gedagvaard.
Beoordelingsmaatstaven

De beoordelingsmaatstaven bij derdenverzet zijn anders dan bij een door de geëxecuteerde zelf aanhangig gemaakt executiegeschil.

Roerende en onroerende zaken

Art. 438 lid 5 Rv is voor specifieke goederen nader uitgewerkt, bijvoorbeeld in:

  • art. 456 Rv (derdenverzet tegen de verkoop van roerende zaken)
  • artt. 538-540 Rv (derdenverzet tegen de verkoop van een onroerende zaak).
Conservatoir beslag (art. 705 lid 3 Rv)

Art. 438 lid 5 Rv is ook van toepassing bij conservatoir beslag (art. 705 lid 3 Rv).

Art. 456 Rv vormt, net zoals de artt. 538-540 Rv bij de verkoop van een onroerende zaak, een uitkwerking van art. 438 lid 5 Rv.

Treft het beslag een zaak die geheel of ten dele aan een ander toebehoort of ten aanzien waarvan een ander een recht geldend kan maken dat de executant moet eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn recht niet in acht wordt genomen tot op het tijdstip van verkoop verzetten (art. 456 lid 1 Rv).

De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, zal op vordering van de executant, zo daartoe gronden zijn, tot schadevergoeding worden veroordeeld (art. 456 lid 2 Rv).

De artt. 538, 539 en 540 Rv, net zoals art. 456 Rv bij de verkoop van roerende zaken, een uitkwerking van art. 438 lid 5 Rv.

Derdenverzet (art. 538 Rv)

Als een derde geheel of gedeeltelijk eigenaar is van een onroerende zaak of een beperkt recht op die zaak heeft, dat de beslaglegger moet eerbiedigen, dan kan die derde zich tot de verkoop tegen die verkoop verzetten (art. 538 lid 1 Rv). Dit is niet zonder risico: als die derde in het ongelijk wordt gesteld, kan hij tot schadevergoeding worden veroordeeld (art. 538 lid 2 Rv).

Opschorting verkoop (art. 539 Rv)

De notaris aan wie een dagvaarding als bedoeld in art. 538 Rv betekend wordt is bevoegd de verkoop van alle bij de executie betrokken zaken op te schorten, totdat de voorzieningenrechter van de rechtbank omtrent de schorsing van de executie zal hebben beslist op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van de notaris, die zich daartoe bij de voorzieningenrechter kan vervoegen (art. 539 Rv).

Bekendmakingen (art. 540 Rv)

Wanneer de verkoop door het verzet is vertraagd, kan deze niet plaatsvinden dan nadat de in art. 516 Rv bedoelde bekendmakingen opnieuw hebben plaatsgevonden en de daar bedoelde termijn opnieuw is in acht genomen (art. 540 Rv).

Derdenverzet

Art. 474g lid 2 Rv, tweede zin bevat een regeling voor derdenverzet van een derde-rechthebbende tegen een verkoop van aandelen op naam.

Verzoekschrift

Een derde-rechthebbende moet voor het derdenverzet tijdig een verzoekschrift tegen de aandelenverkoop indienen. Wat tijdig is, wordt niet vermeld. Een afschrift van het verzoekschrift moet worden betekend aan de beslaglegger en aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd.

Afwijking van civielrechtelijk derdenverzet

De regeling wijkt af van die van het algemeen civielrechtelijke derdenverzet ex art. 438 lid 5 Rv:

  • het algemeen civielrechtelijke derdenverzet wordt bij dagvaarding ingesteld;
  • Bij het algemeen civielrechtelijke derdenverzet moet zowel de executant als de geëxecuteerde worden gedagvaard.

Zolang de afgifte nog niet heeft plaats gevonden, kan ieder wiens recht op de zaak de executant moet eerbiedigen, zich tegen de afgifte verzetten (art. 498 Rv). Dit is een vorm van derdenverzet.